• Albion, #2

    Ben liep door de monumentale deuren van het hotelletje, of wat er nog van over bleef. Bij het dichtklappen ervan gaven ze een bange piep, alsof ze zelf wel wisten dat het niet meer was zoals vroeger, toen de scharnieren nog geolied werden en ook wat meer gebruikt.
    Albert had intussen zijn tweede sigaret gerookt en voelde zijn maag nogmaals keren. Ook hij had nood aan een frisse neus, maar hij had geen zin samen met Ben door het dode stadje te lopen. Ben was occasioneel wat aan de saaie kant, en als hij gedronken had kon hij met zulk enthousiasme vertellen dat het speeksel diverse kanten opvloog. Zeker als hij luid en dicht bij het oor moest spreken, betekende dat een onvoorziene extra trip naar de meestal vrij walgelijke toiletten.
    Albert stond op en wou naar de keuken lopen -meer een kitchenette met een halve wasbak, een aftandse broodrooster met twee standen (waarvan de meest gebruikte “aangebrand” was) en een mini-koelkast waarin een blok schimmelkaas lag die vroeger nog als kaas doorging. Terwijl hij probeerde zo rechtlijnig mogelijk naar de afvoer te lopen om zijn inwendige ik van nabij te ontdekken, voelde hij iets steken in zijn broekzak. Toen hij na twee pogingen toch in de juiste zak graaide, diepte hij er een vierkant metalen voorwerp uit. Tenminste, zo leek het toch. Aan de buitenkant was de tekst Finnian Night Club – Girls, Drinks, Engines gegraveerd. Albert ontdekte dat je het ding ook kon openklappen en verbrandde zijn vingers aan wat nu eigenlijk een zilveren aansteker bleek. Hij probeerde met een pijnlijke grimas tegelijkertijd zijn hoofd en zijn vinger onder de kraan te steken, maar sloeg daar door het lamentabele debiet moeilijk in. Albert hoopte maar dat het water was.
    Nog nadruipend van de natte haren liep hij terug naar de stoel met een halve kom muesli. Hij vroeg zich af van wie hij een aansteker had gestolen, en of hij daarvoor op zijn kop zou krijgen. Dat kon hij wel missen, gezien Albert een zekere geschiedenis had in het aangepakt worden om veelal domme redenen. Toen hij had toegezegd mee te gaan naar een voetbalmatch probeerde hij zijn gebrek aan verstand ter zake te verdoezelen door in de juiste kleren en kleuren te komen. Helaas had hij geen weet van waar hij ging zitten, waardoor hij volledig in Chelsea-blauwe outfit in een vak terecht kwam waar verdacht veel mensen rood droegen, en hem met open mond aanstaarden. De memorabele avond eindigde in mineur in het plaatselijke ziekenhuis, waar bleek dat de contouren van zijn ogen nu ook al aangepast waren aan zijn gescheurde outfit. Toen hij een week later weer perfect kon zien, beloofde hij zichzelf voortaan uit zijn doppen te kijken.
    Albert besloot naar de club in kwestie te gaan om het ding terug te geven. Niet dat het adres erbij stond, maar ver kon het niet zijn, en in de plaatselijke yellow pages was vast wel wat te vinden.

    Ben liep intussen door de doodse straatjes van het zuiders gehuchtje. Zo nu en dan kwam hij een bejaarde tegen, wiens doel het leek om zo vroeg mogelijk weer thuis te zijn om heel de dag binnen te kunnen blijven. “En dat op een dag als deze”, dacht Ben.
    Het was inderdaad een mooie dag. De opkomende zon had zich door het klassiek Engels wolkendek gewurmd en maakte nu dat het hemelsblauwe het grijze overheerste. Vrij zeldzaam die tijd van het jaar. Positief, al was het maar dat het eeuwige geklaag in te dijken van de plaatselijke agrocultivators (zoals de boerenbond beslist had zichzelf te noemen bijwijze het prestige van het beroep op een hoger niveau te tillen. Vruchteloos, natuurlijk: de boeren hadden het nog steeds over “boeren” wanneer ze het over zichzelf hadden, en tenzij ze ophielden met het traditioneel sorteren van mestoverschotten op het dorpsplein konden ze enig aanzien vrij moeilijk bewerkstelligen).
    Toen hij aankwam bij de hoofdstraat -Milton Road- zag hij in de verte een kleine samenscholing van een paar jonge mannen die door hun moeder al wakkergeschud waren. Ze stonden druk te overleggen voor het kleine gemeentehuis, bevolkt door een burgemeester wiens drankzucht al even monumentaal als triest was. Tijdens het jaarlijkse festivalletje waar iedereen traditioneel een stuk boven zijn theewater was, werd hij ooit halfnaakt teruggevonden in de toiletten van één van Sheldons cafés. Later bleek dat hij om één of andere reden altijd zijn hemd uittrok om zijn gevoeg te doen. Niemand wist waarom en -eerlijk gezegd- niemand wou het weten.
    Toen Ben richting de jonge meute stapte om te kijken wat de commotie was, hield de grootste man, nog steeds kleiner dan hemzelf, op met praten. Ben vroeg zich af waarom en vroeg aan degene die het minst zwijgzaam leek waarom ze ophielden met praten. Ben was altijd nogal rechtlijnig in zijn handelen. De groep bleef zwijgen, waarop tenslotte een jongen van een jaar of vijftien het zwijgen doorbrak. “Mevrouw Daniels is vannacht gevonden op haar kamer. Dood. Gedood. En er zijn mensen die beweren dat uw mollige vriend daar gisteren mee in de club zat.”
    Ben zag wat verderop een lijkwagen staan, waarnaast een plechtige man in plechtig kostuum erg plechtig stond te wezen. Hij liet zijn mond openvallen, keerde zich om en beende zo snel hij kon terug richting de Tudor Rose.

    6 reacties bij “Albion, #2”

    1. ShizzleB - 15:47 zegt August 20th, 2006 - #

      übervet

    2. Big Buys - 17:10 zegt August 20th, 2006 - #

      Zeer sterk sfeerbeeld, maar die honger naar een clue is hard!

    3. ShizzleB - 10:53 zegt August 21st, 2006 - #

      swel een punt, alhoewel het natuurlijk wel n vervolgverhaal is.
      n serie eindingt ook op n ‘spannend’ moment

    4. Big Buys - 17:35 zegt August 21st, 2006 - #

      Ja, maar series zijn er wel elke week. Wat geen kritiek is, ik besef ook wel dat je tijd en inspiratie voor zoiets nodig hebt.

    5. Notorious W.I.M. - 18:02 zegt August 21st, 2006 - #

      Er zijn vijf delen!

    6. Ice T - 19:53 zegt August 21st, 2006 - #

      Deel 2 is beter dan deel 1!
      Leest heel vlot, meeste uitweidingen passen ook vlot in het verhaal zonder het tempo te breken. Maar toch ook niet overdrijven (Chelsea-deel en dat van de burgemeester hadden er voor mij uit gemogen).
      en betreffende de clue: Ik vind niet dat de plot te traag vordert.

    Maak een gepaste opmerking